28 juni 2005

Tranen van Toen

Toen was Toen. Toen was mooi en intens oneindig. We waren bondgenoten voor het leven, hij en ik, en we leefden maar wat graag bij de gratie van de dag. Gisteren bestond niet, morgen evenmin. Nee, het leven was slechts ons verbond in het Nu. Pubers waren we, Godverlaten pubers, schoppend tegen alles wat buiten ons verbond recht werd bevonden. Zonder vragen bevestigden en versterkten we elkaars gedrag, als gezamenlijk masker voor onze angsten, angsten voor al die onzekerheden buiten ons Zijn. Maar die onzekerheden waren voor morgen, dus schopten we door, blind en dronken van onzeker geluk. We hielden van elkaar. We huilden als geliefden, lachten als broeders en voelden als tweelingen. Ons gemeenschappelijk doel, nooit volwassen worden, heiligde daarbij alle middelen, tot grote walging van de wereld om ons heen; leraren, ouders, buurmannen met nette familieauto's, ze moesten het allemaal ontgelden. En waarom? Omdat zij waren wat wij nooit wilden worden: volwassen. Dus kotsten we theatraal op de trutburgerlijke gangbaarheden die de volwassene als Instituut zo braaf en graag etaleerde. Een dappere strijd die eeuwig zou duren. In het Nu. Tot het moment dat ons gezamenlijk Nu plots verwerd tot een karikaturaal Toen. Jawel, we schopten nog wel, maar we voelden geen weerstand meer in onze lompe voeten. Een pijnlijke spagaat volgde, omdat nieuwe doelen het verbond, dat we zo intens en voor eeuwig hadden gesloten, met de dood bedreigden. Een nieuw Nu stond aan de horizon, dreigend, omdat ik zijn Nu niet kon lezen en hij mijn Nu niet accepteerde. We schopten nog even, maar het nieuwe licht, maatschappelijk ontstoken, dreef ons definitief uiteen: hij sloeg rechts af, ik links af. Jawel, we keken nog wel achterom, maar onze tranen bleken slechts slappe naweeën van onze lege tienerjaren: ze stierven een mooie maar moedige dood. Toen was Toen. Toen was ook mooi en intens oneindig. Oneindig ja, want Nu, na al die maatschappelijke jaren, komen ze terug: de tranen van Toen. En blijkt ons verbond op afstand het eeuwige leven te hebben. Op afstand samen, door onze gemeenschappelijke goudmijn aan beelden; beelden van ons, beelden van Toen... liefdevol omarmd door ons eigen, nieuwe Nu.

4 juni 2005

De grote leegte

"Leuk, ik studeer Rechten en ben net als jij achttien jaar", had Hans teruggetypt aan Michelle, waarna zij een "Coooooooooooool" met bijbehorende smiley op het scherm had getoverd. Hans en Michelle waren zo'n tien minuten geleden met elkaar in contact gekomen. Niet in de kroeg, niet in het theater, nee, op het World Wide Web. In de chatbox om precies te zijn. Michelle, eerstejaars studente Verpleegkunde, was dagelijks op de jongereninternetsite te vinden en Hans was een nieuwe op de site. Hans had die avond Michelle's naam aangeklikt, waarna een spontaan privé-gesprek op gang was gekomen. Michelle wilde van alles kwijt over haar studie en weten over de zijne, maar kwam er al snel achter dat Hans' interesses toch op een heel ander vlak lagen. "Zozo", had Hans geantwoord op Michelle's enthousiaste verhaal over haar eerste stage-ervaringen, "maar hoe zie je eigenlijk uit?". Michelle vond deze wending wat vreemd, maar omdat ze Hans wel leuk vond begon ze zichzelf te beschrijven. Lengte, gewicht, ogenkleur, Hans kreeg een zo levensecht mogelijk beeld geschetst van zijn chatmate. "En je cupmaat?". Michelle fronste haar wenkbrauwen en zuchtte diep. "Waarom nou in hemelsnaam mijn cupmaat, we hadden het toch over mijn stage?". "Doe je het wel eens met jezelf?", vervolgde Hans. Hij had de smaak te pakken en was alweer lang vergeten dat Michelle Verpleegkunde studeert; hij had de koers durven inslaan die hij voor ogen had gehad bij het aanklikken van Michelle's naam, in de hoop een erotisch gesprek op gang te krijgen. Aanvankelijk was Michelle best gecharmeerd van Hans, maar omdat ze in de gaten kreeg waar hij na tien minuten chatten op uit was klikte ze hem snel weg. Hans zuchtte diep en zocht een nieuwe prooi.... Hans, achttien jaar en rechtenstudent. Dat was hij ooit, ja, vier maanden om precies te zijn, en wel in 1981. Door tegenvallende resultaten had hij de opleiding indertijd moeten verlaten, waarna hij bij zijn vader in de zaak was gaan werken: een timmerbedrijf waar hij nu nog steeds in dienst is. Hans, inmiddels 42 jaar, kocht een half jaar geleden een computer als aankleding van zijn 'werkkamer'. "Dan kan ik 's avonds wat informatie op Internet zoeken over timmertechnieken, weet je", had hij zijn vrouw Anja vol enthousiasme verteld bij de aanschaf van het apparaat. Anja had geknikt. Anja en Hans waren bruto zeventien jaar getrouwd. Netto zo'n elf jaar, want de laatste zes jaar kon je nauwelijks nog 'getrouwd' noemen; een volledig ingekakt intiem leven had hen na jaren steeds verder uit elkaar gedreven, maar beiden waren te laf om er gewoon een punt achter te zetten. Dus zochten beiden naarstig naar alternatieven om de grote, gênante huwelijksleegte te verbloemen: Anja vond de soap, Hans het World Wide Web. De eerste maanden had zijn hart nog snel geklopt door de vele pornoafbeeldingen die hij per toeval op de 'Timmertechniekensites' tegenkwam, maar sinds twee weken vond hij toch meer opwinding in het livegesprek. Niet met collega-timmermannen maar met mooie, jonge studentes. Jonge studentes hebben immers mooie lijven, hebben altijd zin en weten van wanten. "Anja kruipt toch met haar dikke cellulitisbillen om 22.00 uur in bed, dus een slaapmutsje kan geen kwaad", was zijn standaard gewetensusser. 't Was immers haar schuld dat er geen intiem vuur meer in hun relatie zat, zij wilde nooit meer, en zij deed ook nooit wat aan haar uiterlijk. Aldus Hans, op zoek naar 'de vrouwtjes', in de hoop nog wat opwinding in zijn uitgezakte, lege lijf te krijgen. Michelle had rechtenstudent Hans die avond zonder pardon weggeklikt. Tamara85 ook, nadat Hans haar naar haar favoriete standje had gevraagd. En Elfje was zelfs woest geworden na het lezen van de zin "denk jij ook wel eens aan vrouwen tijdens het masturberen?". Na vergeefse pogingen bij Venessa, Lieveke86 en Esmeralda had Hans die avond de computer uitgezet. Zuchtend, zoals elke avond na zijn mislukte zoektocht. Hans poetste zijn tanden, bekeek zijn ingezakte borstkas en uitgezette buik in de spiegel, kamde zijn haren en kroop naast zijn Anja. Anja sliep als een roos. En snurkte.

29 mei 2005

De Beloning

"Krijgen we ook een afscheidscadeautje van je, Ed, als beloning voor ons harde werken?" Mijn werkgroepstudenten gaven de stille hint met een veelzeggende smile na het afspreken van de datum waarop we onze tweejarige samenwerking informeel gaan afsluiten, ergens in de laatste lesweek."Tja, dat heeft geen effect meer als ik nu 'ja' zeg, dames", probeerde ik, maar ze waren het lokaal al uit. Een beloning, als afscheidscadeautje, het leek me een kinderachtig idee, meer iets voor een groep basisschoolverlaters die na de zomer naar de grote school gaan. Niks in elk geval voor deze negentienjarige HBO-studenten. Maar bovenal twijfelde ik aan deze beloning omdat A. ik de 'beloningen' nu niet meer spontaan kon geven, B. het een collectieve beloning zou worden en C. ik nog maar moest zien of ze nou écht een beloning verdienden. En daarin liggen wat mij betreft toch wel drie belangrijke criteria voor een echte beloning: hij moet onverwachts zijn, hij moet individueel zijn én hij moet verdiend zijn. Voldoet een beloningssituatie aan deze drie criteria, dan pas komt een beloning ook oprecht als beloning binnen bij de beloonde. Daar kwam ik een aantal weken geleden achter toen mijn vader op 73-jarige leeftijd een beloning kreeg voor bewezen vrijwilligersdiensten in het Maastrichtse seniorenwezen. Hij zou die avond, jawel, een Oranjelintje van de burgemeester krijgen. En niet van zomaar een burgemeester, nee, van dé Burgervader, wereldberoemd in eigen land door dappere daden richting het kleine Asterixstaatje Vinkenslag: Burgemeester Leers van Maastricht! Hij zou het stukje ijzer hoogstpersoonlijk op pa's donkerblauwe colbert komen spelden en nog wel bij mijn ouders thuis! Ik had alle tamtam vooraf vervloekt. Ma was wekenlang over haar toeren: pa mocht niks weten en zij moest 'van alles regelen'. "Ma, het is maar een speldje, maak je niet zo druk, mens". Ik ergerde me vreselijk aan de ophef rond deze opgeblazen activiteit; honderden mensen krijgen jaarlijks zo'n ding opgeprikt, een landelijke lopende bandtweedaagse, maak daar goddomme niet zo'n kermis van! Met grote tegenzin trok ik die avond naar mijn ouderlijk huis, volgens strikte instructie gekleed in net overhemd (jawel, die heb ik ook) en colbert. Ik had zelfs voor ma mijn haren gekamd. Ik was iets te laat, want bij binnenkomst herkende ik de stem en het gezicht van de man die een verhaal aan 't vertellen was in de woonkamer van mijn ouders. Shit, hij was al begonnen. Duizend-en-één smoezen verzinnend betrad ik op mijn tenen de woonkamer, maar had al snel door dat pa en ma weinig oog hadden voor mijn (te late) binnenkomst. Ze waren in trance, de ogen gericht op Dé Burgervader van Nederland. Het was een mooi gezicht: burgemeester Leers links, vlak naast de oude piano, pa en ma rechts, hoffelijk zij aan zij naast de antieke schemerlamp. Ik zag Leers zijn plicht goed doen, maar bovenal zag ik de trotse aura van mijn ouders. Pa's onderlip trilde bij elk persoonlijk woord dat Zijn Held over hem uitsprak. Ma's vochtige ogen glinsterden achter haar bril en ze kneep pa om de twee minuten in zijn hand. Tijdens het officiële opspeldmoment werd het pa zelfs bijna te veel; het scheelde niet veel of hij was Leers vol in de armen gevlogen. Na Het Moment wilde pa zelf nog wat zeggen, maar kwam door zijn trillende stem niet verder dan "burgemeester, bedankt...". Pa had die avond een beloning gekregen voor zijn onuitputtelijke inzet als vrijwilliger, en die beloning had hem geraakt. Sterker nog, na weken zweeft de goede man nog steeds, door dat ene stukje ijzer, opgespeld door die ene burgemeester. En ik, ik had Het Moment vooraf verafschuwd, maar ging toch met een heel ander gevoel naar huis. Vanaf dat moment realiseerde ik me namelijk de kracht van een beloning pas echt. Ik was getuige geweest van een pure beloningssituatie, omdat hij aan de drie criteria voldeed: hij was onverwachts (pa wist tot Het Moment echt van niks), hij werd aan pa gegeven en niet aan zijn voltallige vrijwilligersclub én pa had de beloning oprecht verdiend. Diezelfde avond dacht ik terug aan de beloningen die ik zelf ooit had mogen ontvangen: het stickertje op mijn hand van juffrouw Smeets in de vierde klas van de lagere school, de Taart van de Maaspost die ik op 27-jarige leeftijd kreeg voor verdiensten in het jongerenkorenwezen, de roos van mijn baas tijdens de jaarafsluiting van mijn eerste jaar in het HBO-onderwijs. Stuk voor stuk cliché- en goedkope beloningen (jaarlijks worden er immers 850.000 stickertjes door basisschooljuffen op kinderhandjes geplakt), maar het feit dat ik me dat ene stickertje uit 1971 nog herinner zegt wel iets over de impact van deze beloningen: ze zijn in elk geval blijven hangen en ja, ik was en ben er zelfs nog trots op. En om die reden lopen oud-Legerfanaten op hun tachtigste nog steeds met achttien medailles op hun borst door de Aldi te pronken en slaapt mijn dochter Myra al wekenlang met het Assepoesterboekje onder haar kussen dat ze van juffrouw Anouk heeft gekregen voor haar hulp in de schooltuin. Een beloning is echter meer dan het voorwerp zelf: de waardering overstijgt het uitgereikte materiaal en is absoluut van blijvende waarde, net als een welgemeend compliment. En vanwaar dan die drie criteria? Omdat een geplande collectieve beloning simpelweg niet blijft hangen (wie herinnert zich het kerstcadeau van drie jaar geleden nog?) en een niet verdiende beloning zelfs gênant kan voelen (het stickervel dat ik in 1971 uit juffrouw's Smeets bureaula jatte heb ik na drie slapeloze nachten stiekem weer terug gelegd). Moet ik mijn werkgroepstudenten nou die zelfgevraagde beloning geven? Moeten wij in het HBO-onderwijs het beloningssysteem niet eens wat meer gaan inzetten bij onze studenten, in de wetenschap dat die ene échte beloning levenslang bij een student zal blijven hangen? Moeten wij de geplande collectieve personeelsbeloning niet gewoon afschaffen en de échte beloning gaan invoeren? Pas dan zal de beloning een echte beloning zijn.

17 mei 2005

Teletubbie

"Ja hoor, ze staan leuk, meneer". 't Waren warme woorden, maar ze klonken lauw uit de mond van de kleine schoenenverkoopster. Kon ook niet anders, want haar ogen waren gericht op een jongen op de Herenafdeling, en die jongen was natuurlijk interessanter dan de voetjes van mijn eenjarige dochter Franka hier op de Kinderafdeling. Ik was die zaterdagmiddag met Franka op pad gestuurd om nieuwe schoenen voor haar te kopen. Zomerschoentjes. "Maatje 24, maar laat het nog even goed nameten" had Lucienne nog nageroepen, maar die boodschap leek overbodig gezien de steile groeicurve in Franka's Volgboekje van het Groene Kruis. De kleine schoenenverkoopster was me direct opgevallen toen ik Franka's wagen de kinderafdeling van de trendy schoenenzaak had binnen gereden: steunend tegen een paarsgeschilderde pilaar staarde ze zwijgend naar de uitgang van de winkel, waarbij ze de indruk wekte de lange secondes van de dag hardop in haar hoofd te tellen. Haar kauwgumknauwen leek dat tellen consequent ritmisch te ondersteunen. Lang, lichtblond permanentachtig haar sierde haar bruine, maar verveelde gezicht en ze droeg een ultrastrakke gele broek, knalroze laarzen en een opzichtig groen truitje. Haar gebruinde armen lagen ontspannen over elkaar geslagen, vlak boven een zilveren navelpiercing die midden op haar blote buik glom; een buik die over pakweg tien jaar moddervet moet zijn, gezien haar verontrustende postuur op deze jonge leeftijd. Enfin, ze leek op een soort afgekeurde Aldi-Teletubbiepop, zeg maar. Nou is schoenen kopen niet mijn favoriete zaterdagmiddagbezigheid. 'Winkelen' heet dat, geloof ik, en dat schijnt heel ontspannend te zijn. Althans, dat hoor ik wel eens van vrouwen. Zelden van mannen, want die denken daar toch standaard anders over, zeker als het om 'nieuwe kleren voor de vrouw' gaat én dat winkelen op zaterdagmiddag moet plaatsvinden. De man sjouwt, sloft, ergert zich en telt de minuten af tot het enige lichtpuntje van de middag: het passen van de nieuwe rok. Dat is het moment waarop de man onder het mom van 'effe uitrusten' quasi-geïnteresseerd kan plaatsnemen op een lage kruk bij de paskamers, in de hoop een glimp van een onbekend jong, bloot vrouwenlichaamsdeel op te vangen. Een lege hoop als gevolg van een hardnekkige, algehele Winkelafkeer; een afkeer die zelfs op de kleurrijke Kinderafdeling van een willekeurige schoenenzaak de kop op kan steken. "Kan ik U helpen?", vroeg de Teletubbie uit ruststand, nadat ik het derde paar sandaaltjes zonder succes tegen de onderkant van de ontblote voetjes van Franka had gehouden. "Ja, ik zoek zomerschoentjes voor m'n dochter", antwoordde ik, "maar ik kan de juiste maat niet vinden". Teletubbie kwam langzaam in beweging, waggelde naar achteren, verdween kortstondig van het schoenendecor en kwam terug met een ingewikkeld voetmeetapparaat, ongetwijfeld ontworpen voor volwassenenvoeten. "Laat haar maar even staan, dan meet ik de voetjes even op", zuchtte het meisje en pakte Franka's linkerbeentje vast. Ik had op dat moment met Teletubbie te doen, omdat ik mijn dochter ken en weet dat ze zich niet, gewoon nóóit 'zomaar-even-de-voetjes-laat-opmeten'. Het gevecht met bijbehorend gekrijs leverde uiteindelijk (ongeveer) maatje 25 op, waarna de zoektocht naar geschikte zomerschoentjes kon beginnen. Samen met Teletubbie naar ik verwachtte, maar die had haar paarse pilaar alweer opgezocht en bijbehorende, zwijgende pose ingenomen. Terwijl ze haar blik weer op de uitgang richtte vroeg ik me af of ze nou opnieuw zou beginnen met secondes tellen of door zou gaan waar ze gebleven was. Ik paste tevergeefs drie, vier, vijf paar sandaaltjes, waarbij mijn irritatie en adrenaline meestegen met die van Franka. Teletubbie stond erbij en keek ernaar. En Zweeg. Had ik aanvankelijk nog een goed gevoel gehad bij de vraag 'of ze misschien zou kunnen helpen', nu vroeg ik me toch oprecht af waar haar helpende bijdrage dan precies uit bestond. - "Vindt U deze leuk, juffrouw?", probeerde ik, maar hechtte weinig waarde aan haar "ja hoor, ze staan leuk, meneer!", omdat haar blik op de jongen bij de mannenschoenen was gericht. - "Hebt U geen schoentjes zónder klittenbandriempjes, juffrouw?". - "Nee, helaas meneer, die hebben we niet". - "Maar kleine kinderen trekken die klittenbandriempjes toch meteen los?" - "Ja, dat wel, meneer." - "Maar waarom verkoopt U dan geen schoentjes met gespjes?" - "Die verkopen we niet, meneer." - "Maar hoe moet dat dan met die klittenbandriempjes? Die schoentjes trekt ze binnen één minuut uit...!". - "Dan moet ze er niet aan trekken, meneer." Teletubbie had dit pedagogisch advies nog maar net gegeven toen er een luid, blikkerig Wilhelmus uit haar gele broek klonk. Ze griste haar mobieltje in één soepele beweging uit de linkerbroekzak, drukte het apparaatje tegen haar Teletubbie-oor en riep: "Hoooooooooooi!!!!! Ja, ik kom wat later vanavond, want ik ga Michelle nog ophalen. Hooooooooooooooooooi!!!" Het Winkelen op zaterdagmiddag wordt teveel besmet door De Verkoopster. Althans, door de 'Teletubbie'-verkoopster. Waarom bestaat die eigenlijk? Wie heeft daar ooit om gevraagd? Welke meerwaarde heeft ze? Waarom krijg ik per definitie een benauwd gevoel als zo'n zwijgend meubelstuk passief naast me komt staan, of ik nou een broek, jas of schoenen ga kopen? Moeten niet alle kleding- en schoenenwinkels verbouwd worden vanuit het Kijkshopconcept, met een of twee deskundige Verkoopsters op oproepbasis, zodat ik én rustig kan rondkijken én, indien nodig, deskundig advies kan vragen? "Vriendelijk bedankt, juffrouw", knikte ik Teletubbie toe nadat ik de zelf uitgezochte blauwe sandalen-met-klittenband had afgerekend. "Graag gedaan, meneer", antwoordde de kleine schoenenverkoopster. Met de armen over elkaar.

2 mei 2005

Tussen Kitsch en Kitsch

"Je raadt nooit met wie ik binnenkort moet optreden!". Ik had de voordeur niet horen openen en schrok van het openvliegen van de woonkamerdeur. Ik had Lucienne, mijn echtgenote, nog niet thuis verwacht, maar haar goede nieuws was blijkbaar reden genoeg geweest om wat eerder naar huis te komen. Dit nieuws moest immers verteld worden. En wel per direct aan haar altijd even geïnteresseerde echtgenoot. "Nou?", vroeg ik op een voor haar inmiddels bekende toon. "Nou?? Ik ga optreden met Frans Bauer!!" Meer dan twintig jaar geleden was de viool haar ultieme beroepsgereedschap geworden.Uren, dagen, ja maanden achter elkaar streek Lucienne in die jaren ijverig over de vier gezegende snaren van het eeuwenoude instrument. Beethoven ging met de jaren steeds meer als Beethoven klinken. Pianissimo werd een glad meer, legato een warme deken. De kracht van Schubert weergalmde al die jaren uit haar hoogbejaarde klassieker. En dan nu: Frans Bauer. "Frans wie?", vroeg ik met een kop alsof ik echt niet wist wie Frans Bauer was. "Ja die!", antwoordde Lucienne cynisch, in de wetenschap dat ik Frenske heus wel kende, hoogstens niet wilde kennen. "Is dat niet die leadzanger van de Jostiband?", probeerde ik nog, maar dat hoorde ze al niet meer. Ze had de telefoon gepakt om alle details van haar verhaal te delen met zuslief, een Bauerfan van het eerste uur. "Zeven avonden achter elkaar in Ahoy, en Lee Towers en Marianne Weber doen ook mee!!" Ik hoorde mijn enthousiaste schoonzus aan de andere kant van de lijn exploderen. Een enthousiasme dat bij elk sensationeel detail over het aankomend avontuur gestaag was gegroeid. Tegelijkertijd zakte mijn humeur naar een dieptepunt. Vijf jaar Conservatorium! Twintig jaar podiumervaring. Beethoven's strijkerrepertoire nagenoeg uit je hoofd kennen. Met Maria de Lourdes op één podium gestaan. En dan ga je een zwakbegaafde Heintjekloon begeleiden? Ik voelde weerstand opkomen. Oprechte weerstand. Dit mócht niet gebeuren, al was het maar om later mijn dochter Myra niet in verlegenheid te hoeven brengen (vertel zoiets maar eens aan je kind). "Luister schat, als je dat doet, kun je je carrière wel vergeten". Mijn argument leek een reële. "Sinds wanneer bekommer jij je over mijn carrière?" De toon was gezet. "Als je dit echt gaat doen ga ik bij je weg!!" Mijn verweer werd dusdanig bespottelijk en karikaturaal dat haar grijns alleen maar breder werd. "Bij me weg?". Ze keek minachtend naar mijn geïrriteerde hoofd. "Kun jij dan nog meer weg zijn dan nu? Trouwens, jij vindt Malle Babbe toch ook een leuk liedje? Waar zeur je dus over?" Dat laatste was een gemene trap onder de gordel. Ze refereerde aan een optreden van mijn eigen coverband, jaren geleden, voor een groep verstandelijk gehandicapte jongeren. Speciaal voor die avond hadden we Malle Babbe van Rob de Nijs ingestudeerd, omdat die jongelui dat blijkbaar een leuk liedje vonden. Lucienne had op zich gelijk. Tussen nummers van Van Morisson, Bruce Springsteen en John Hiatt door hadden wij inderdaad een muzikale concessie gedaan die te vergelijken is met de hare nu. Dat klopte. Maar wel met dat verschil dat wij destijds verstandelijk gehandicapten als publiek hadden. Hoewel, verschil... Zou onze Frans zijn muziek soms ook vanuit deze legitieme overweging selecteren? Is zijn publiek niet ook Malle Babbepubliek? Mannelijke oudere jongeren met Goofeystropdas, Mickey Mousesokken, donkerblauwe bandplooibroek laag hangend over de uitgezakte billen, zweetdruppeltjes op de snor, straf handenklappend en heupwiegend op 'de Luchtballon' van Frans. Hoogblonde vrouwelijke oudere jongeren met een voor winterse begrippen verdacht bruine huidskleur, fel afstekend tegen de blinkend gouden halsketting, teddybeer onder de arm om na het concert naar Frenske te mogen gooien. Was het indertijd logisch dat ik met mijn eigen band Malle Babbe speelde? Is het logisch dat Frans Bauer "Als sterren aan de hemel staan" de zaal in bralt? Is zijn publiek zijn publiek omdat hij "de Regenboog" zingt of zingt hij dat lied omdat zijn publiek zijn publiek is? Ik wist dat deze gedachte mijn muzikale echtgenote woedend zou maken. Dus slikte ik de hele overweging maar in. Maar er was geen weg meer terug. Ze vervolgde haar monoloog. "Bij regionale symfonieorkesten zit een zogenaamd geciviliseerd gecultiveerd publiek. Een publiek dat het bezoeken van klassieke concerten maar wat graag op haar sociale CV heeft staan. Een publiek dat galajurken en smokings koopt om de buren te leren dat klassieke concerten bezoeken per definitie statusverhogend werkt, vrienden oplevert, en bovenal artistiek rijker maakt. Dat diezelfde klojo's TIJDENS het concert alleen bezig zijn met het oefenen van het verwoorden van hun zelfverzonnen theorie omtrent die artistieke rijkdom, maakt hen niet beter dan de bezoekers van Frans Bauer's concerten. Die laatsten zijn immers gewoon. Eerlijk. Enthousiast. Dragen geen cultureel masker. Die genieten oprecht. En hebben ongetwijfeld wél echte vrienden. Begrijp je dan dat ik liever voor hen speel dan voor al die quasi-intellectuele schouwburgdauwtrappers?" Stilte. Een vervelende stilte. Ik had problemen met haar diepmuzikale concessie, maar was tegelijkertijd ook wel gevoelig voor haar schonenschijnargument. En realiseerde me op dat moment dat muziek maken voor een groot publiek eigenlijk alleen maar lastig is. Omdat dat publiek nou eenmaal altijd iets is. Altijd iets wil. Iets moet. Terwijl de ontwerper van de muziek eigenlijk maar één ding wil: dat zijn noten gespeeld, begrepen en gevoeld worden. Vorige week zaterdagmiddag vlogen de voordeur én de woonkamerdeur met een dusdanig enthousiasme open dat ik het ergste vermoedde. "Je raadt nooit wat ik vanmiddag heb gekregen!" Voor ik ook maar een aanzet van een cynisch antwoord kon bedenken vloog er een DVD op mijn schoot. "Frans Bauer Live in Ahoy! En ik ben een paar keer heel goed in beeld!". Ik legde de DVD beleefd, ja zelfs devoot op de piano, zuchtte diep, keek mijn dochter Myra aan en zette de debuut-CD van K3 op. Ik heb nog nooit zó genoten van de warme klanken van dit muzikale Belgische trio als die middag.

Tussen Kunst en Kitsch

Alle 13 goed! Van Arcade!!! Dit was de eerste LP die ik op mijn veertiende verjaardag van mijn ouders cadeau kreeg. "Staan hele leuke liedjes op", zei mijn vader trots, toen hij mij de langspeler plechtig overhandigde. Ik keek wat verdwaasd naar de hoes vanwaar een jonge, blonde vrouw met fout kapsel en geforceerde grijns mij leeg aanstaarde. Diezelfde verjaardagsavond danste de ietwat botte naald van onze oude platenspeler langs de 13 muzikale mopjes. Niet meer dan 13 seconden had ik nodig om het muzikale meesterwerk te beoordelen. Te veroordelen eigenlijk. "En, is ie mooi?", vroeg pa 's ochtends aan het ontbijt. "Nou", loog ik, om de lieve man niet teleur te stellen. De zwarte schijf verdween al snel definitief onder de stapel Voetbal Internationals onder mijn bed. Helaas geen succes, maar mijn interesse voor de zwarte schijf als medium was vanaf dat moment wel gewekt. Jaren later luisterde ik op een regenachtige avond op mijn kamer naar het hemelse Confutatis van Mozart's Requiem. "Ben je depressief, jongen?", vroeg pa bezorgd nadat hij geruisloos mijn kamer was binnengeslopen. Ik ontwaakte uit mijn muzikale roes en keek hem wazig aan. "Dit is toch geen muziek voor een jongen van nog geen twintig", was zijn pedagogisch verantwoorde toelichting op de eerder geuite bezorgdheid. "Luister hier maar eens naar, daar wordt je weer vrolijk van." Hij duwde me een LP van Heino in de hand, met de rijke titel 'Heimat, deine Sterne'. Hij maakte zich kennelijk oprecht zorgen om mij. "Kijk, dit is nou muziek!!", brulde pa een aantal weken later enthousiast vanuit zijn luie stoel. Door de woonkamer schalde James Last's Tritsch-Tratsch-Polka. Hij sloeg de maat van de vrolijke muziek houterig met zijn handen op zijn benen. Zonder te antwoorden sloop ik naar mijn kamer, pa verontwaardigt achterlatend. Ik zuchtte diep en zette het Graduale uit de Proprium Missae in Dominica op, een Gregoriaans meesterwerk. Toen ik die avond een verplicht 'welterusten' naar mijn ouders had gemompeld en de trap richting slaapkamer opliep, hoorde ik mijn vader in de woonkamer bezorgd tegen mijn moeder zeggen: "Hij zal toch geen priester willen worden...?". Zijn woorden werden muzikaal bijgestaan door Nana Mouskouri's 'The Way We Were'. Pa en ik zaten in een muzikale impasse. Al zijn pogingen om zijn muzikale smaak aan zijn opvolger door te geven liepen op niks uit. Piano by Candlelight deel 7, de volledige collectie van de Golden Sax Boys, The Best of van The Exotic Mandolin Orchestra, Rocco Granata goes Classic, het mocht zijn vreemde zoon niet raken. Mijn Ravel's pianoconcerten, mijn Nocturnes van Chopin, Missen van Palestrina en Strijkkwintetten van Schubert baarden hem groeiende zorgen. Was zijn kunst mijn kitsch? Was mijn kunst wellicht zijn kitsch? Op een donkere winteravond, vlak voor mijn definitief vertrek uit mijn ouderlijk huis, draaide ik het Ave Maria van Giulio Caccini. De wonderbaarlijk rijke melodielijn boven de continusequens van de strijkers raakten mij indertijd dusdanig dat ik het meesterwerk dagelijks op repeat zette. Nadat ik mijn kamer even had verlaten om beneden een telefoontje te plegen trof ik bij terugkeer plots mijn vader op mijn bureaustoel aan. Geschrokken bleef ik in de deuropening staan. Hij zat met zijn rug naar mij toe, terwijl het Ave Maria uit mijn boxen vloeide. Pa zat roerloos stil. Ik keek naar de achterkant van zijn grijze kapsel, zijn ouder wordende handen rustend op de leuningen van de bureaustoel, zijn donkerblauwe Mefisto's strak voor zich uit, de tenen in de lucht. Ik voelde me betrapt. Ik schaamde me. Voor mijn muzikale opstandigheid, mijn minachting voor zijn Jostibandmuziek, mijn weigering tot muzikale dialoog. Plots draaide hij zich om. Ook hij leek zich betrapt te voelen. Hij stond op, keek wat onhandig om zich heen en wierp een vluchtige blik op zijn horloge. Terwijl hij mij passeerde om mijn kamer te verlaten wierp hij een blik op mijn verbaasde hoofd. Zijn ogen waren vochtig. Rood. Ik meende zelfs een lichte trilling in zijn onderlip te zien. Zonder één woord te zeggen had hij mijn kamer verlaten. De trap af, richting luie stoel. Het bleef stil in de woonkamer. Geen James Last, geen Freddy Breck, geen Tiroler Spassduetten. Ik bleef verdwaasd achter op mijn kamer, het Ave Maria van Caccini als enige getuige van Het Moment. Had hij gehuild? Gelachen? Had hij gewoon last van zijn ogen? Was hij boos? Schaamde hij zich voor zijn zoon? Had hij intens genoten van de indringende zang? Was mijn kunst zijn kunst geworden? Op mijn 38-ste verjaardag kreeg ik een CD van pa cadeau: Classic by Night, deel 5. "Staan hele leuke liedjes op", mompelde hij terwijl hij me de CD laconiek in mijn handen duwde. Ik keek naar de voorzijde van de CD vanwaar een jonge vrouw met donkere ogen mij veelbetekenend aanstaarde. Diezelfde verjaardagsavond skipte ik met mijn CD-speler langs de klassieke mopjes van het verjaardagscadeau. Niet meer dan 13 seconden had ik nodig om het muzikale meesterwerk te beoordelen. De negende track bleek een oude bekende: het Ave Maria van Giulio Caccini. "En, is ie mooi?", vroeg pa daags erna. Ik probeerde hem aan te kijken, maar traanvocht vertroebelde het beeld van zijn gelaat. Mijn kunst leek ongemerkt mijn eigen kitsch te worden. Was mijn kunst zomaar zijn kunst geworden? Kan kitsch gewoon kunst zijn? Bestaat kunst dan eigenlijk wel? En kitsch? Pa keek me begripvol aan. En zweeg.

1 mei 2005

Kerst met André

Vrijdagmiddag 12 oktober 2004. Ik luister tijdens mijn dagelijkse terugreis naar het verre zuiden naar het BNN-radioprogramma Ruuddewild.nl. Tussen twee vlakke plaatjes door klinkt plots de stem van Ron Brandsteder. "Ik wens alle luisteraars van Ruuddewild.nl een fijne kerst en een gelukkig nieuwjaar. En Ruud, hoeveel nachtjes slapen is het nog tot kerst ?" "Eh, 73, Ron", antwoordt Ruud nonchalant. Nog 73 nachtjes slapen. En spontaan komt er die regenachtige oktobermiddag een warm kerstgevoel over mij heen, een gevoel dat op dat moment wordt versterkt door de warme klanken van 'Happy Xmas -War is over' van John Lennon. En realiseer ik me in een vroeg stadium van het kalenderjaar dat kerstmis en kerstmuziek voor mij elk jaar weer onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Deze donkere dagen voor kerst zoek ik graag die kerstsfeer op. Ja, ik bezoek zelfs de kerk, dé plek waar volgens de overlevering de ultieme kerstsfeer zou hangen. Dé plek ook waar de kerstmuziek geboren is. Eeuwen geleden schreef Heinrich Schultz al zijn Weihnachtshistorie, Johan Sebastian Bach zijn Weihnachtsoratorium en Johan Friedrich Reichardt zijn Heilige Nacht. Brengt mij die oubollige muziek dezer dagen dan in hoger kerstsferen ? Absoluut, ook al zijn de teksten niet altijd even verrassend. De geboorte van Jezus Christus wordt immers elke keer opnieuw weer bezongen. Tekstueel geen originaliteitsprijzen dus, maar de bijbehorende klanken raken des te meer. Zelfs het in 1854 geschreven l'Enfance du Christ (Hector Berlioz) doet mijn kerstadrenaline stijgen. Afgelopen zondagochtend beleefde ik die kerstsfeer intens in de oude St.Servaaskerk van Maastricht. Na dit korte theaterbezoek liep ik samen met mijn dochter een nabijgelegen kroeg binnen waar op dat moment Andre Hazes' 'Eenzame Kerst' uit de boxen vloeide . En hup, ik kreeg spontaan weer een kerstgevoel. Verdomd, ben ik dan zo snel in Hoger kerstsferen ? Gebeurt dat ook bij het horen van kerstplaten van minder religieuze vertolkers als Slade (Merry Christmas everybody) of Maria Carey (All I want for Christmas is you) ? Ben ik zelfs gevoelig voor Bing Crosby's 'White Christmas' of Danny de Munck's 'Met kerstmis hoor je blij te zijn' ? Ken ik dan geen enkele esthetische ondergrens ? Na vijf jaar conservatorium màg ik André Hazes niet eens mooi vinden. Mag ik George Michael's 'Last Christmas' niet eens stiekem harder zetten in de auto. Ik behoor 'Das neugeborne Kindelein' van J.S. Bach mooi te vinden. Niet André Hazes ! Helaas, zowel Johan Sebastian, Hector, Heinrich, Johan Friedrich als André, Maria en Danny ondersteunen deze dagen mijn zoektocht dankbaar naar het ultieme kerstgevoel. Met dat verschil dat Johan Sebastian, Hector, Heinrich, Johan Friedrich ook na de kerst hemels blijven klinken en alle André's, Maria's en Danny's twee dagen na kerst definitief de prullenbak in mogen. Tot oktober 2005, als ik op een regenachtige vrijdagmiddag weer naar BNN luister.

29 april 2005

Kerstmis met André

Vrijdagmiddag 12 oktober 2004. Ik luister tijdens mijn dagelijkse terugreis naar het verre zuiden naar het radioprogramma Ruuddewild.nl. Tussen twee vlakke plaatjes door klinkt plots de stem van Ron Brandsteder. "Ik wens alle luisteraars van Ruuddewild.nl een fijne kerst en een gelukkig nieuwjaar. En Ruud, hoeveel nachtjes slapen is het nog tot kerst ?" "Eh, 73, Ron", antwoordt Ruud nonchalant. Nog 73 nachtjes slapen. En spontaan komt er die regenachtige oktobermiddag een warm kerstgevoel over mij heen, een gevoel dat op dat moment wordt versterkt door de warme klanken van 'Happy Xmas -War is over' van John Lennon. En realiseer ik me in een vroeg stadium van het kalenderjaar dat kerstmis en kerstmuziek voor mij elk jaar weer onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Deze donkere dagen voor kerst zoek ik graag die kerstsfeer op. Ja, ik bezoek zelfs de kerk, dé plek waar volgens de overlevering de ultieme kerstsfeer zou hangen. Dé plek ook waar de kerstmuziek geboren is. Eeuwen geleden schreef Heinrich Schultz al zijn Weihnachtshistorie, Johan Sebastian Bach zijn Weihnachtsoratorium en Johan Friedrich Reichardt zijn Heilige Nacht. Brengt mij die oubollige muziek dezer dagen dan in hoger kerstsferen ? Absoluut, ook al zijn de teksten niet altijd even verrassend. De geboorte van Jezus Christus wordt immers elke keer opnieuw weer bezongen. Tekstueel geen originaliteitprijzen dus, maar de bijbehorende klanken raken des te meer. Zelfs het in 1854 geschreven l'Enfance du Christ (Hector Berlioz) doet mijn kerstadrenaline stijgen. Afgelopen zondagochtend beleefde ik die kerstsfeer intens in de oude St.Servaaskerk van Maastricht. Na dit korte theaterbezoek liep ik samen met mijn dochter een nabijgelegen kroeg binnen waar op dat moment Andre Hazes' 'Eenzame Kerst' uit de boxen vloeide . En hup, ik kreeg spontaan weer een kerstgevoel. Verdomd, ben ik dan zo snel in Hoger kerstsferen? Gebeurt dat ook bij het horen van kerstplaten van minder religieuze vertolkers als Slade (Merry Christmas everybody) of Maria Carey (All I want for Christmas is you) ? Ben ik zelfs gevoelig voor Bing Crosby's 'White Christmas' of Danny de Munck's 'Met kerstmis hoor je blij te zijn' ? Ken ik dan geen enkele esthetische ondergrens ? Na vijf jaar conservatorium màg ik André Hazes niet eens mooi vinden. Mag ik George Michael's 'Last Christmas' niet eens stiekem harder zetten in de auto. Ik behoor 'Das neugeborne Kindelein' van J.S. Bach mooi te vinden. Niet André Hazes! Helaas, zowel Johan Sebastian, Hector, Heinrich, Johan Friedrich als André, Maria en Danny ondersteunen deze dagen mijn zoektocht dankbaar naar het ultieme kerstgevoel. Met dat verschil dat Johan Sebastian, Hector, Heinrich, Johan Friedrich ook na de kerst hemels blijven klinken en alle André's, Maria's en Danny's twee dagen na kerst definitief de prullenbak in mogen. Tot oktober 2005, als ik op een regenachtige vrijdagmiddag weer naar BNN luister.

Nee! tegen zinloos toeschouwersgeweld!

" 'Nee' leren zeggen, dat is mijn belangrijkste leerdoel voor het volgend studiejaar". De eerstejaars studente uit mijn studentgroep had mijn vraag omtrent het vervolg van haar studie dapper beantwoord. Ik keek haar begripvol aan en kon een lichte grijns net niet onderdrukken, omdat ik op dat moment moest denken aan een zaterdagavond drie weken eerder. De-verjaardag-van-de-man-van-een-oud-collega-van-mijn-vrouw. Of zoiets. Dat was de reden van onze aanwezigheid op het zitfeestje van die bewuste zaterdagavond. Je weet wel, zo'n feestje ter ere van het in stand houden van een gewoonte die niemand in stand wíl houden maar in stand wordt gehouden omdat iedereen denkt dat hij in stand gehouden móet worden en dus niemand dat instandhouden doorbreekt. Zo'n feestje dus. Ik had 'nee' willen zeggen, maar doe tegenwoordig geen enkele poging meer om onder dit soort verplichtingen uit te komen. Zelfs het excuus dat ik nog een grote stapel studietaken voor maandag moet nakijken werkt niet meer. Dus ga ik gewoon mee. Omdat mijn 'nee' geen 'nee' is. De aanblik bij binnenkomst viel meteen als een onbehaaglijke deken over me heen. Twaalf volwassenen, keurig gepositioneerd in een ovaal rond twee aan elkaar geschakelde salontafeltjes. Ieder zijn eigen plek, definitief, voor de rest van de avond, omdat hij of zij daar toevallig bij binnenkomst was gaan zitten. Ik had de lege Hartman-tuinstoel gekozen tussen een snor met stropdas, naar al snel bleek een lolbroek, en een rustige, nette dame die de zus van de vrouw van de jarige Jop bleek te zijn. Ik keek rond en zag dat ik buiten de oud-collega van Lucienne niemand kende. Lucienne weerzag veel oude bekenden en nam met een heel ander gevoel plaats ergens aan de overkant. Er kwam een spontaan gesprek op gang tussen de Bekenden. Veel anekdotes, over vroeger. De Bekenden lachten veel, temeer omdat de Lolbroek de anekdotes telkens op de juiste, ludieke wijze inkopte. De niet-Bekenden, waaronder ikzelf, kenden de anekdotes niet en werden automatisch gebombardeerd tot toeschouwer. De Toeschouwers, overwegend partners-van, zwegen. Ze luisterden. Niet omdat ze de anekdotes nou zo leuk vonden, maar luisteren suggereert nou eenmaal betrokkenheid en maakt praten met andere Toeschouwers overbodig. Kwestie van af en toe knikken, glimlachen, 'goh' zeggen, GSM-display controleren en chips eten. De Toeschouwers deden af en toe een poging de spanning van hun eigen dialoogimpasse te doorbreken. "En, maakt Balkenende II de vier jaar vol?", probeerde een meneer aan de overkant. Hij droeg een groen colbertje. "Ik denk het", antwoordde een vrouw met ruiten rokje vier stoelen links van mij. "Lekkere toastjes, Anja", was de volgende groepsbijdrage, ditmaal van de moeder van de gastvrouw. "Nou, inderdaad", vulde de nette vrouw naast me haar moeder dapper aan. De Bekenden kregen steeds meer plezier, werden zelfs melig, als gevolg van steeds hilarischer anekdotes. De Toeschouwers zakten steeds verder weg. Naarmate de avond vorderde werden de stiltes tussen de thema-aanzetten van ons Toeschouwers ook steeds langer. En pijnlijker, temeer omdat de gastheer het niet nodig vond om die godvergeten stiltepijn met een eenvoudig muziekje wat te verzachten. Ik kreeg het warm. Zweetdruppels kropen langs mijn voorhoofd omlaag. "Is het hier godverdómme nou zo warm of ligt dat aan mij!?", schreeuwde ik in mezelf en sloop naar het door wijze spreuken betegelde toilet. Ik haalde drie keer diep adem, waarna ik op mijn gemak de jarigen op de Margrietkalender bekeek. Drie Jannen jarig in de maand Mei. Goh. Om 11.41 kwam het eerste verlossende woord. "Ga je mee, Henk, de babysit moet naar huis". Henk, een vadsige Toeschouwer die de hele avond geen woord had gezegd, stond verdacht snel op. "Jammer, maar ja, de plicht roept", klonk zijn hoorbaar opgeluchte stem. Ik was jaloers. Strontjaloers op Henk die door zijn vrouw was bevrijd van deze doelloze kwelling. Ik keek Lucienne wanhopig aan, maar die weigerde mijn signaal op te vangen. Zij behoorde immers tot de Bekenden. Ik at chips. Veel chips. Chipsetende Toeschouwers kunnen en hoeven niet te praten. Die zijn immers druk bezig. Met chips eten. Dus at ik chips. Net als de man met het groene colbertje na zijn Balkenende-II-poging louter nog contact zocht met de knopjes en het display van zijn GSM. Ook GSM-ers hoeven niet te praten omdat ze druk bezig zijn. Met GSM-knopjes induwen. Dus GSM-de het groene colbertje veel. Wat zijn duim allemaal GSM-de boeide niet, het Colbertje werd in elk geval niet meer gestoord door mede-Toeschouwers. Ik zat inmiddels vast. Muurvast. De lachsalvo's van de Bekenden pijnigden mijn oren in toenemende mate. Ik hoorde geen inhouden meer, zag alleen nog de snor van de Lolbroek. Die bewoog. Veel. "Moeten wij niet eens gaan?"doorbrak ik de Toeschouwerstilte van 00.09 uur. "Hoezo", antwoordde Lucienne, aangeschoten van het lachen vanaf de overkant, "je kunt morgen toch uitslapen, Myra is bij oma". Mijn humeur zakte naar een dieptepunt. Waarom was ik eigenlijk hier? Waarom zat ik niet thuis achter de piano met een glas whisky? Waarom was mijn 'nee' jaren geleden, toen we dit soort zitfeestjes voor het eerst samen gingen bezoeken, geen 'nee'? Klonk die 'nee' indertijd wellicht te twijfelachtig omdat ik toen nog de illusie had dat het bijwonen van dit soort avonden vrienden oplevert? Moeten dit soort zitfeestjes niet louter worden bezocht door Bekenden, zodat de Toeschouwers zo'n avond echt iets leuks kunnen gaan doen? Of moet ik gewoon eens een 'nee' leren zeggen die een 'nee' is, zodat ik voor eens en altijd verlost ben van dit soort zinloos Toeschouwersgeweld? "Wat was je stil vanavond?" merkte Lucienne op weg naar huis fijntjes op. "Trouwens, volgende week is Marieke jarig, je weet wel, de vrouw van Koen. Dan rijdt jij naar huis, dan weet je dat alvast". "Zozo, jij gaat dus leren om 'nee' te zeggen. Een mooi leerdoel", vertrouwde ik de eerstejaars studente uit mijn studentgroepje toe. "Ik wens je er veel succes mee".

Paradise By The Dashboard Light

"Weet je wat het met jou is, lange, jij zit gewoon in een midlifedip!" Mark klonk oprecht bezorgd na het aanhoren van mijn opmerking over beeldvervaging tussen Toen en Nu. Mark is een van de oud-vrienden waarmee ik afgelopen voorjaar op 'mannenweekend' ben geweest; een reünie van een zestal (bijna-)veertigers, met als doel ons gezamenlijk Toen te beleven. We hadden elkaar zelden of nooit meer gezien en ter ere van de herbeleving afgesproken in een oud boerderijtje in het Belgische dorpje Mille. Zonder kroost maar mét acht kratten bier, samen op weg naar het mooie Toen.Toen, zo'n twintig jaar geleden, waren we vrienden. We deelden passies, humor, meisjes en muzieksmaak. Nu, twintig jaar later, delen we enkel nog dat gemeenschappelijke Toen. Voor ons allen in elk geval reden genoeg om elkaar weer eens te ontmoeten. Op weg naar Mille had ik die ochtend prachtige flashbacks; tot in detail zag ik hun koppen in gebeurtenissen terug die me tot de dag van vandaag het schaamrood op de kaken en de lachtranen in de ogen bezorgen. Wat een tijd! Hoe zouden die koppen er Nu uitzien? En wat zouden ze allemaal doen voor de kost? Hebben ze kinderen? Ik kreeg steeds meer zin in het wederzien. Bij aankomst op de boerderij in Mille zag ik ze al vanuit mijn auto in de voortuin van het boerderijtje zitten. Mijn god, zijn ze dat echt?? Toen twintigers, nu veertigers. Toen krullen, zwart haar en jongenslijven, nu kalende, grijzende koppen en veertigerslijven."Jeetje lange, wat heb jij een dikke kop gekregen, man!", begroette Dirk mij. De schrik was kennelijk wederzijds. Het weekend kwam wat stroef op gang; kennelijk hadden we alle zes wat moeite met het loslaten van ons Nu, onze veertigerswereld. Een wereld met kids, verantwoorde banen, nieuwe contacten, langlopende huwelijken en verschoven referentiekaders. Een wereld in schril contrast met de wereld van Toen. Maar, mede dankzij het gezelschap van de acht kratten bier, kwamen we steeds meer in het Toen, waarbij puberaal, basaal en ongegeneerd gedrag het weekend steeds meer gingen sturen. Onze gemeenschappelijke terugkeer in het Toen viel mij echter zwaarder dan verwacht. Had ik aanvankelijk de hoop dat we dit weekend samen de beelden van Toen zouden versterken, bleken die beelden juist te vervagen. Ik hoorde mijn oude vrienden gedateerde, genante en vulgaire grappen maken die Toen perfect pasten in de context van de tijd, maar nu uit de mond van een getrouwde bankfiliaalmanager-met-drie-kinderen bespottelijk klonken. Ik keek ineens naar veertigers die geforceerd twintigers speelden. Mijn god! Veertigers zijn veertigers, geen twintigers!! De mooie beelden van de spelers van Toen dreigden vertroebeld te raken door het gedrag van diezelfde spelers van datzelfde gedrag in het Nu. Ik kreeg naarmate het weekend vorderde steeds meer last van die beeldvervaging tussen Toen en Nu. Ik ging nadenken over de bijna onmogelijke synthese tussen dat Toen en dat Nu. Toen was Toen en moet vooral Toen blijven. Nu is Nu. Punt! Toen was ABBA en Toen was ook Mud. Van beiden had ik jaren prachtige beelden. Van ABBA nog steeds, omdat ze nooit in het Nu zijn getreden (ze hebben Toen heel slim Toen gelaten, en ben ik dus nog steeds verliefd op die blonde zangeres). Van Mud echter had ik ook prachtige beelden, tot ik ze onlangs op de televisie op een Goud-van-Oud-festival zag optreden: vadsige, gezwollen vijftigers die krampachtig in hun eigen Toen trachtten te kruipen. Gadverdamme, wat een wanvertoning! En wat zonde van de herinnering!! "Is er wat, lange?", vroeg Mark, "je kijkt zo zuur, man!" "Ik schrok van Mark's vraag, omdat ik absoluut niet van plan was het reüniegevoel te bederven. "Heb je op een bruiloft wel eens een stel van rond de veertig op Meatloaf's 'Paradise by the Dashboard Light' zien dansen?", probeerde ik. "Ja, walgelijk", antwoordde Mark, "maar wat heeft dat met ons te maken??" Ik vertelde Mark over de beeldvervaging tussen ons Toen en ons Nu. Mark knikte en merkte in alle rust op dat ik waarschijnlijk gewoon een midlifedipje heb, als voorbode van een serieuze midlifecrisis. "Luister jongen", merkte Mark subtiel op, "jij hebt in deze fase van je leven gewoon last van je eigen Nu. Da's alles. Je bent strontjaloers op je eigen Toen, een tijd waarin je het leven mocht, ja zelfs móest ontdekken. Je realiseert je nu ineens dat je toen het mooie van die ontdekkingstocht niet besefte, en je slaat je nu voor je dikke kop dat je er indertijd niet meer van hebt genoten. Klaar!". Mark nam een slok bier. "En nu wil je die dynamische ontdekkingstocht eigenlijk opnieuw beleven, maar ja, dat kan natuurlijk niet, hoogstens in je gedachten." Mark keek me meewarig aan. "Tja, jongen, en nu zie je die ontdekkingstocht natuurlijk heel goed bij de nieuwe twintigers, niet? En god, wat zou je die tocht graag met hen mee willen lopen, als herkansing...". Mark nam nog een slok bier. "Ed jongen, jij wilt eigenlijk gewoon weer jong zijn, waarbij elk positief contactje met de nieuwe jonge wereld je hoop geeft. Alleen, dat verdomde Nu van je staat die herkansing natuurlijk keihard in de weg. Je gezinnetje, je lijf, je baan, je vrienden; jongen, neem van mij aan: je kunt simpelweg niet meer Toen zijn, dat past niet mee bij je!! Kijk maar naar Mud, in je eigen voorbeeld..." Mark keek nu heel somber. "Tja jongen, die gedachte kan je treurig maken, don't tell me: je wilt wel, maar het kan niet meer. Dus is de aanblik van je eigen Toen in relatie tot je eigen Nu inderdaad soms focking confronterend voor je. En tja, dan vind ík het niet vreemd dat jij hier over Meatloaf begint."Mark stond op, kneep in mijn schouder en zei op rustige toon: "Trouwens, ga hier straks maar niet met John over praten: die heeft vorige week blijkbaar z'n eerste motorrijles gehad..." Tijdens mijn terugreis van Mille naar huis dacht ik terug aan het nachtelijk gesprek met Mark. Had hij gelijk? Was mijn krampachtige houding ten aanzien van Toen en Nu inderdaad niet meer dan een harnas tegen een aankomende midlifecrisis? Was mijn visie op de beeldvervaging tussen Toen en Nu, die in mijn ogen plaatsvond tijdens het mannenweekend, een weerspiegeling van mijn eigen angst de ontdekkingstocht nooit meer te kunnen maken? Word ik oud? Wil ik dan soms nog jong zijn? Uit angst voor alle antwoorden nam ik mij dapper voor me louter nog te focussen op mijn Nu. En op mijn Toekomst. Wellicht om een hardnekkige midlifecrisis te voorkomen.

André's Hemel

'Allah bestaat niet, God wel'. De kop boven het Nieuwe Revue-interview met André Rouvoet loog er vorige week niet om. Voor wie hem niet kent: André Rouvoet is politiek leider van de ChristenUnie. Daarnaast is André ideale schoonzoon. Althans, in de ogen van mijn moeder en andere geloofsactieve senioren. André heeft een net hoofd, gaat zes keer per week naar de kerk, zal nooit vloeken en zeker niet knipogen naar jonge meisjes. Nee, André is op en top Christen, hetgeen bevestigd wordt door het interviewcitaat waarin André gevraagd wordt naar zijn kennis over de inhoud van de film 'Turks Fruit' (en ik citeer de gelovige man nu letterlijk): "Het zal me een zorg zijn. Ik heb daar genoeg smerigs over gehoord, ik hoef die film niet te zien". Mannen met een dergelijk antwoord hebben zo'n film meestal op video in huis, veilig opgeborgen in de onderste la van het bureau, maar André Rouvoet niet: André is immers Politiek Leider, en politieke leiders liegen niet. En al zeker de politiek leider van de ChristenUnie niet. Zo zal André zeker ook niet liegen wanneer hem in het betreffende Revue-interview wordt gevraagd welke mensen nou wel in de Hemel komen en welke mensen niet. André is daar heel duidelijk over, zoals blijkt uit onderstaand interviewfragment: Er zijn niet-godsdienstige mensen die hun leven lang armen en zieken in de derde Wereld bijstaan. U zegt: hoe goed een mens ook leeft, die komt niet in de Hemel?André: "Door goede dingen te doen kun je niet eeuwig leven verdienen. Daar is geloof in Jezus voor nodig". Die mensen komen dus in de hel? André: "Je zou zeggen dat die conclusie onontkoombaar is". Maar moordenaars, verkrachters. Stel dat zulke mensen vlak voor hun dood zeggen: ik bekeer mij alsnog tot de Heer, ik vraag vergiffenis voor mijn daden. Die komen dan wel in de Hemel?André: Ook voor hen is er inderdaad een mogelijkheid om bij God te zijn. Volgens deze logica kunnen de 'goeden' in de Hel komen en de 'slechten' in de Hemel. Menigeen zal hier van schrikken.André: "Kan ik me voorstellen. Absoluut." Toen ik dit interviewfragment las moest ik terugdenken aan pastoor Keulen. Pastoor Keulen, bijnaam 'de Borrel', was Onze Pastoor. En ik Zijn Misdienaar. Elke zondagmorgen diende ik, samen met drie andere brave burgerjongetjes, de Hoogmis. We droegen zo'n jurk met zo'n koord en we zwaaiden met een wierookvat. Maar bovenal volgden we de instructies van de Borrel op. Niet omdat we die instructies nou zo waardevol vonden, maar omdat het niet opvolgen van zijn instructies twee narigheden tot gevolg hadden: een kneep in je oor én een enkele reis naar de hel. Althans, met dat laatste dreigde hij voortdurend, waarbij de frequentie van die heldreigementen opliep naarmate de Borrel meer alcohol had genuttigd (de Borrel hield graag huisbezoeken in zijn parochie, zo'n vijf per dag, en elk bezoekje was goed voor minstens drie borrels). Als hij ons dan, zwalkend in zijn zwart gewaad, op straat tegenkwam, dan riep hij altijd met opgeheven vinger en dubbele tong: "En zondag op tijd in de sacristie, anders wacht jullie de hel!!" Als achtjarige misdienaar vond ik dit een duidelijke, heldere boodschap, maar als 15-jarige (jawel, ik heb een lange misdienaarcarrière achter de rug) kreeg ik toch wat bedenkingen. "Meneer Pastoor?", vroeg ik de Borrel op een zondagochtend na de Hoogmis, "bestaat de hemel echt?" "Maar zeker, mijn zoon, dat weet je toch wel", antwoordde de Borrel laconiek, terwijl hij de hostiekelk droogde met een maagdelijk wit doekje. "En de hel?", vroeg ik door. "Ook de hel bestaat, ja", grijnsde de Borrel met een sadistisch gezicht. "Kom ík later in de hemel?". Mijn nieuwsgierigheid nam toe. "Zeker, mijn zoon, je bent toch misdienaar, dus lid van de kerk. En als je lid van de kerk bent, nou, dan ga je naar de hemel". Enerzijds was dit een geruststellend antwoord, anderzijds schrok ik van deze priesterlogica: kennelijk was het verbond met de Kerk, in welke schijnheilige vorm dan ook, een gegarandeerd ticket naar de Hemel. Tja, de kerk gaf zekerheid, dat wel, maar ik vroeg mij toen al oprecht af of ik die enkele reis naar Boven wel ambieerde, laat staan verdiende. Vanaf die bewuste zondagochtend keek ik in elk geval anders naar dat intrigerende, vrome Instituut dat kennelijk gratis Hemeltickets verstrekt. Ik werd achterdochtig en nieuwsgierig tegelijk. Vanaf mijn misdienaarstoel begluurde ik tijdens de Hoogmis de clientèle, de zgn. Kerkgangers. Vrome, strakke, stoïcijnse hoofden die me vanaf dat moment pas echt begonnen te intrigeren, ja zelfs te fascineren. Iedereen daar in die banken, jong of oud, dik of dun, oprecht of hypocriet, trouw of ontrouw, iedereen kreeg kennelijk dat felbegeerde ticket. En daar hoefden ze verdomd weinig voor te doen: alleen daar zitten en te luisteren naar het georakel van de Borrel. Pas later, na mijn misdienaarcarrière ("pa, ik schaam me dood in die Sinterklaasjurk, ik ga nu écht dat podium niet meer op!"), realiseerde ik me dat mijn fascinatie niet zozeer gericht was op de Kerkganger in het algemeen, maar meer op de zgn. 'Modelkerkgangers': Kerkgangers die gaan voor het Ereticket en op zondagmorgen dus meer doen dan 'alleen daar zitten'. De Modelkerkganger heeft oog voor detail, bereid zich voor, concurreert en concentreert zich scherp op zijn rol in de Kerk, teneinde een Ereplaats-in-Heaven te kunnen veroveren. En juist die Modelkerkganger, bang voor zijn zelfgecreëerde Hel, fascineert mij mateloos: zijn alledaagse, lege blik die hij tijdens de Hoogmis spontaan kan omzetten in een vrome, deftige blik die hulp aan duizend-en-één-Somaliërs suggereert; de nonchalance waarmee hij zijn ingeslapen, van leugens doordrenkte huwelijk weet te camoufleren door de hand van zijn vrouw bij het verlaten van de kerk wél vast te pakken; de gulle gift die alleen gul gegeven wordt als de buren twee rijen verder het prachtige gebaar opmerken; de extra bevestiging van zijn Kerkelijk Lidmaatschap door religiemodieuze zondagskleding die hij zelfs zijn kinderen laat dragen; het opdreunen van het Onzevaderdieindehemelzijt zonder ook maar één woord van het verhaaltje te snappen maar erbij te kijken alsof het een eigen compositie betreft; het deftig knikje naar zoveel mogelijk medeparochianen tijdens de wandeling van de bank naar de hostie, teneinde een breed, sociaal spectrum uit te stralen. Dat is de Modelkerkganger in actie, op weg naar een Ereplaats-in-Heaven. André Rouvoet is onze ultieme, Nationale Modelkerkganger. André krijgt wel tien Eretickets, dat staat buiten kijf. André bezit namelijk alle competenties die een goede Modelkerkganger moet bezitten. En mag André dus uit volle borst roepen dat niet-Kerkgangers op moeten rotten richting Hel, of ze nou medemensen helpen, liefdadigheidsgiften per giro overmaken, vrijwilligerswerk doen of hun huwelijkscrisis wél bespreekbaar maken. En waarom mag onze aanstaande Hemelbewoner André Rouvoet dat roepen? Omdat ik als ex-Kerkganger hoogstwaarschijnlijk gedoemd ben tot de Hel, dat onze wegen daarmee (Godzijdank) ooit zullen scheiden en dat ik dus nóóit meer naar het Hemel & Hel-gebazel van ideale schoonzoon Rouvoet hoef te luisteren!

Tussen lach en traan

Vorige week zaterdag had mijn dochter Myra haar eerste kinderfeestje. Maaike uit haar klas werd vijf jaar en dat werd groots gevierd in het buurthuis van de Maastrichtse wijk Pottenberg. Om 14.00 uur stipt had ik Myra die middag afgezet. Om 17.00 uur zou ik haar weer ophalen, zoals nadrukkelijk aangekondigd op de Winnie de Poeh-uitnodiging. Het zaaltje van het buurthuis zag er aandoenlijk uit: gekleurde slingers aan het plafond, grote Winnie de Poeh- en K3-posters aan de muren. Plastic bekertjes met ranja en schalen met spekjes op de tafels én een dolenthousiaste Maaike die hoogstpersoonlijk de kartonnen feesthoedjes uitdeelde aan haar jonge gasten. Deze middag kon niet stuk. De drie uurtjes vrij had ik gereserveerd voor bijslapen (de nacht ervoor was nogal kort en alcoholisch geweest), tot om 15.10 uur de vader van Maaike belde: of ik Myra kon ophalen. Al van veraf zag ik Myra snikkend bij de ingang van het buurthuis staan, de tranen wegwrijvend met haar vuistjes. Het oranje feesthoedje stond scheef op haar voorover gebogen hoofd en in haar rechter hand omklemde ze een Jip en Janneke-snoepzakje-met-inhoud. Ze zag er geknakt uit. De moeder van Maaike ontving me begripvol en zei dat Myra 'wat overstuur' was geraakt en naar huis wilde. "Wat is er aan de hand, schat"?, vroeg ik, maar wist dat ik geen antwoord zou krijgen: ze was inderdaad volledig van slag. "Ze wilde niet meedansen, ik snap ook niet waarom; het was juist zo gezellig", probeerde Maaike's moeder. Ik haalde de wrijvende vuistjes voor Myra's gezicht weg en droogde het overtollige oog- en neusvocht met het Teigetje-servetje dat Maaike's moeder me zorgzaam voorhield. Ik keek mijn snikkende dochter aan, zij mij, en merkte opeens dat ik in een spiegel keek. Ik zag mezelf, een beeld van vroeger, toen ik voor het eerst in aanraking kwam met ongewenste feestintimiteiten. Het was een bruiloft van een tante en oom, denk ik, ergens in een of ander parochiezaaltje. Ik was een jaar of zes. Ik zag die dag voor het eerst allemaal grote mensen die heel vrolijk waren en heel veel met elkaar praatten. Ze waren keurig gekleed, zeker in het begin van de dag. Ik herinner me nog goed dat die grote mensen steeds vrolijker werden naarmate de dag vorderde. De ooms gingen steeds aardiger en grappiger doen tegen allerlei tantes (pas jaren later hoorde ik dat dat flirten heet), en er werd meer en meer gedanst op de muziek van het eenmansorkestje. Ik keek graag naar dat dansen; de ooms deden heel gek, raakten de tantes veel aan en de tantes moesten heel hard lachen. Iedereen danste gek en wild, ook mijn ouders, mijn jongste zus en zelfs mijn oudere broer. Ikzelf zat het liefst aan de kant. Te kijken, naar die prachtige beelden. Ik weet nog goed dat het eenmansorkestje plots een carnavalesk deuntje inzette, waarop de hele meute ineens achter elkaar door het parochiezaaltje trok. "Kijk, de polonaise!", riep mijn oudste zus die naast me zat en dit schouwspel kennelijk al eerder had meegemaakt. Het was een lange slinger van allemaal vrolijke mensen, die elkaars schouders stevig vasthielden. Ik genoot van dit gekke beeld, tot het moment dat de mensenslinger langs mijn stoel trok. Tante Mia, een dikke zus van mijn vader met een foute pruik, trok me ruw van m'n stoel en maakte mij, zonder vooraankondiging, schakel van de vrolijke mensenslinger. Voor ik er erg in had zat ik midden in die slinger, de mollige handen van tante Mia stevig op mijn schouders, mijn eigen handen op de natte, bezwete rug van oom Theo. Mijn eerste polonaise. Ik kreeg het al snel benauwd en snakte naar het einde van het liedje, dat maar niet komen wilde omdat het eenmansorkestje een eindeloze medley speelde. Eén van de uitbundige ooms riep opeens "changé!", waarop iedereen zich tegelijk omdraaide en ik verplicht de dikke heupen van tante Mia in mijn handen en de kolenschoppen van mijn naar zweet riekende oom Theo op mijn schouders kreeg. Ik keek kennelijk zo ongelukkig dat mijn broer bijna in zijn broek plaste van het lachen; hij had zich net op tijd uit de voeten gemaakt en zichzelf veilig vastgeketend aan een stoel aan de overkant. Beduusd nam ik na deze ontgroening plaats achter een van de lange tafels, waarop zich al heel wat lege bierglazen hadden verzameld. Tante Mia kwam naast me zitten. Haar pruik stond scheef en haar stem klonk raar. Tante Mia lachte, pakte me stevig vast en zei: "gezellig, hè jongen!". Aan de andere kant nam oom Hendrik plaats. Oom Hendrik stonk naar drank, had waterige oogjes en giechelde met een hoog stemmetje. Hij knipoogde naar de pruik van tante Mia en kneep mij hard in mijn been. Daar zat ik, geklemd tussen een oom en een tante die ik nauwelijks nog herkende. Het eenmansorkestje kondigde een walsje aan, waarop oom Hendrik snel zijn glas bier achterover kiepte en zijn linkerarm onder míjn rechterarm stak. Tegelijkertijd stak tante Mia haar rechterarm onder mijn linkerarm en voor ik het zelf in de gaten had deinde ik van links naar rechts en weer van rechts naar links achter de witte, met lege bierglazen gevulde tafel. Mijn adem stokte. Ik zag dat de hele zaal inmiddels meebewoog, van links naar rechts en van rechts naar links: iedereen leek mee te doen. Ik zag karikaturaal lachende gezichten, hard brullende monden en zwetende lijven. Ik wilde weg maar kon niet weg, zó vast zat ik geklemd tussen Tante Mia, wiens pruik inmiddels voor haar ogen hing, en oom Hendrik, die zo dronken bleek dat hij in slaap leek te zijn gesukkeld. Op zeker moment rukte ik me los en rende het parochiezaaltje uit. Ik huilde intens, omdat ik niet kon omgaan met deze ongewenste feestintimiteiten. Ik was bang geworden. Bang voor de polonaise, voor de pruik van tante Mia, voor oom Hendrik's oogjes, voor de zweetlucht van oom Theo. Mijn vader kwam me even later buiten zoeken; ook hij keek vreemd uit zijn ogen. "Wat izzur aan zze hand, jongen? ", vroeg pa en droogde mijn tranen met een mouw van zijn overhemd. Ik herinner me nog goed dat ik op dat moment mijn claustrofobische feestgevoelens aan pa duidelijk had willen maken, maar er geen woord uit kreeg. "Kom jongen, amuzzzeer je nou maar gewoon, het izz net zo gezellig". Deze beelden zag ik vorige week zaterdag tot in detail terug in Myra's betraande ogen. Het Teigetje-servetje van Maaike's moeder was inmiddels drijfnat. Uit het buurthuiszaaltje klonk een uitzinnige kindermenigte, luidkeels meebrullend met Frans Bauer's "Heb je even voor mij?". Ik pakte Myra's had vast. "Zullen we thuis gaan kleien?", fluisterde ik haar toe, waarop ze een snikkend 'ja' knikte. Hand in hand liepen we van het zaaltje naar de auto, het kinderfeestgeweld in decrescendo achter ons latend.

Wat ik later worden wil

"Ik wil later heel graag met kinderen gaan werken". Het was het overtuigende antwoord van een van mijn nieuwe studentes op mijn vraag wat ze later met haar diploma wilde gaan doen. "Dat heb ik eigenlijk altijd al gewild", voegde ze er aan toe, "maar wat weet ik nog niet precies". De kersverse studente keek wat onzeker bij die toevoeging, alsof het een schande was dat ze nog geen afgebakend beroepsbeeld voor ogen had. "Geeft niks, je hebt tijd genoeg om er achter te komen wat je later worden wilt", stelde ik haar gerust. Ze knikte opgelucht: er leek een last van haar schouders te vallen. Een last die mijn vijfjarige dochter Myra nog niet kent: die heeft haar beroepsbeeld al twee jaar in een denkbeeldig koffertje klaarliggen voor later: Myra wordt prinses. Punt. En dat is contractueel vastgelegd op de tweede pagina van haar levensboek: het Vriendenboekje. Voor wie het niet kent: het Vriendenboekje is het poëziealbum van de eenentwintigste eeuw, een competentieprofiel van en voor kinderen tot acht jaar. Aan de hand van een twintigtal items geeft het kind een keurig beeld van haar Zijn; items als 'mijn idool', 'mijn lievelingseten', 'mijn lievelingsboek', 'mijn lievelingsdier' en andere wetenswaardigheden worden door het kind benoemd en door moeder schriftelijk ingevuld. Myra had bij het item 'wat ik later worden wil' zonder twijfel prinses door haar moeder later invullen, waarmee vereeuwigd. Dat Vriendenboekje gaat dan vervolgens de hele klas rond, waarmee mijn dochter aan het eind van de rit de competentieprofielen bezit van haar hele klas, inclusief dat van de juffrouw. Dat alle meisjes later prinses willen worden, frieten met frikadel als lievelingseten en K3 als idool hebben maakt verder niks uit, evenmin dat alle jongens later ridder willen worden. "Papa, jij moet ook in mijn Vriendenboekje schrijven". Tja, en dat hoort er dan kennelijk ook bij: papa en mama leggen hun Zijn ook vast in Het Boek, that's part of the game. Dus zat ik vorige week zondagmiddag met mijn verwachtingsvolle dochter aan tafel. We namen de vragen samen hardop door en ze schaterlachte om mijn quasi-originele antwoorden (lievelingsvak: postvakje, lievelingsboek: telefoonboek, lievelingsfilm: de Film van Ome Willem; och, een kinderhand is snel gevuld). "Wat is de volgende vraag, papa?" Myra kreeg er steeds meer plezier in. "Eh, ff kijken, schat....: de volgende vraag is: 'wat ik later worden wil'". Wat ik later worden wil. Er viel een pijnlijke stilte. Het tempo waarmee ik alle voorgaande vragen adrem en ludiek had beantwoord was stilgevallen. "Nou, papa, wat wil jij later worden?"Myra keek me verwachtingsvol aan. "Overspannen", klonk een subtiel mompelende stem uit de keuken: mijn vrouw vond het blijkbaar nodig mij juist bij dit item wat morele ondersteuning te geven, in de wetenschap dat ik op dit soort interventies al jaren niet meer reageer. "Eh, papa is al wat, schat....", antwoordde ik mijn dochter zonder haar aan te kijken. De proestlach vanuit de keuken bracht Myra wat uit balans: ze keek me vragend aan en vroeg met onzekere stem: "wil jij dan niks meer worden, papa??" Mijn gedachten dwaalden af naar mijn eigen levensfase waarin ik nog over mijn toekomst mócht dromen. Ik wilde als jonge jongen geen ridder worden maar beroemde pianist. Een jongensdroom die ik dagen- en nachtenlang kon dromen: grootse concerten, staande ovaties en gillende meiden. Bizarre gedachte dat uiteindelijk alleen die gillende meiden werkelijkheid zijn geworden; helaas niet gillend voor het podium als gevolg van mijn pianospel maar gillend op mijn werkkamer uit frustratie over een niet kloppend studiepuntenoverzicht. Maar dat terzijde."Ach jongen, droom jij maar lekker, uiteindelijk kies ook jij gewoon voor een echte baan". Pa's pedagogisch verantwoorde loopbaanbegeleiding deed mij al voor mijn twintigste besluiten leraar te worden en geen pianist. "Is veel beter jongen, heb je tenminste zekerheid en stabiliteit in je leven; met pianopingelen krijg je geen brood op de plank". Waarmee de jongensdroom werd begraven, mede door pa's maatschappelijk advies. En heb ik er anno 2004 inmiddels zestien jaar 'zekerheid en stabiliteit' opzitten. En bén ik nu dus wat en hoef ik dus ook niks meer te worden: ik ben namelijk zekerheid en stabiliteit. Maar ja, hoe leg je dat je dochter uit tijdens het invullen van haar Vriendenboekje? "Schat, papa is zekerheid en stabiliteit, dus ís hij al wat en hoeft hij dus niks meer te worden...snap je?". Ik werd opeens jaloers op mijn eigen dochter. Jaloers op het feit dat ze nog gewoon mag worden wat ze wil worden. Dat ze haar leventje nog gewoon kan en mag inrichten rond de imaginaire fantasiewereld die bij haar toekomstig beroepsbeeld hoort: dagelijks rondlopen in een prinsessenjurk van de Blokker, eindeloos de Walt Disneyfilm van Assepoester bekijken en tientallen tekeningen maken van prinsen op witte paarden. Zoals al generaties lang jongetjes eindeloos ballen tegen een afgebladderde garagepoort trappen met de intieme gedachte dat het een beslissende wereldgoal in een Europacupfinale betreft. Ik werd jaloers omdat ík mijn eigen jongensdroom kennelijk nooit meer mag dromen, in de feitelijke wetenschap dat kinderdromen stiekem levenslang meegaan. Het leek me vorige week zondag reden om mijn dochter zo lang mogelijk te ondersteunen bij haar ultieme toekomstwens, door én een gedegen prinsessenopleiding én een prins op een wit paard bij een gerenommeerd datingburo voor haar te zoeken. Maar ook zij zal waarschijnlijk ooit van haar vader het ontnuchterende advies krijgen voor zekerheid en stabiliteit te kiezen en ook zij zal ooit inzien dat het in het Vriendenboekje contractueel vastgelegde toekomstbeeld slechts een kinderspinsel bleek. Dus verdwijnt het Vriendenboekje ooit in de prullenmand, samen met de illusies van de kindertijd. Wat ik later worden wil. Is het een specifieke kindervraag? Mag je op je veertigste die vraag ook nog aan jezelf stellen? Mag je daarbij flirten met je eigen jeugddromen? Of is 'zekerheid en stabiliteit' het ultieme streven en daarmee het maatschappelijk eindstation? Staat het dagelijks (gezins)keurslijf de doorstroom van toekomstdromen in de weg? Of andersom? Zou mijn vader dit soort vragen ook aan zichzelf hebben gesteld toen hij mij, wellicht deels uit frustratie over zijn eigen toekomstdromengevecht, maatschappelijk richting zekerheid en stabiliteit adviseerde? Mijn nieuwe studenten hebben ook een toekomstbeeld; een beeld dat zweeft tussen hun eigen Vriendenboekjesdroom enerzijds en de zekerheids- en stabiliteitsgrens anderzijds. Zij zijn nog onderweg. Dus kan ik niet anders dan ze tijdens een eerste bijeenkomst gerust stellen met de gedachte dat ze nog tijd genoeg hebben om erachter te komen wat ze later worden willen.

Muziek in beeld

3 APRIL 2005 23ste FANFARETREFFEN lOCATIE: PAROCHIEZAAL VAN NEERHAREN AANVANG: ROND 14.00 UUR Het affiche hing al weken op de deur van de slager van het Belgisch dorpje waar ik indertijd woonde. De namen van vijf trotse fanfares uit de regio sierden met grote letters het plakkaat: de Grensbewoners uit Veltwezelt, de Blauwen uit Lanaken, de Pumpelère uit Riemst, St.Christoffel uit Bilzen. En als hoofdact natuurlijk de gastvrouw uit Neerharen zelf: fanfare Maaslandia. Als Ollander woonachtig in België maak je op zijn tijd graag een dorpsbetrokken indruk en dus ga je naar hét cultureel hoogtepunt van het jaar: het Fanfaretreffen. In de Parochiezaal, naast de kerk. Rond 14.00 uur. Zoals aangekondigd op Het Affiche. Gilbert, indertijd mijn buurman, was slagwerker bij Maaslandia. Sinds 1982 speelde hij in het korps de dikke trom. Gilbert's muzikale taak lag vooral in het accentueren van de eerste tel van Maaslandia's luchtige muziekwerken. Ze noemden Gilbert in Neerharen de Sjéle, een bijnaam die hij te danken had aan het duikbrilachtig jaren-zeventigmontuur op zijn neus. Gilbert zag niet zo goed, maar omdat hij geen bladmuziek nodig had kon hij zonder noemenswaardige brokken zijn muzikale bijdrage leveren. Gilbert's broer, de Króf (Belgisch voor gebochelde), speelde tuba bij hetzelfde korps. De Króf had sinds 1989 geen enkele repetitie en uitvoering gemist, tot grote verzuchting van de dirigent. De Króf had namelijk nogal eens moeite met het volgen van zijn partijen. Ruim op tijd was ik die middag richting Parochiezaal gelopen. Ik had de Sjéle 's ochtends al om 9.00 uur met een trotse tred de deur uit zien gaan richting kerkplein, uniform fris uit de stomerij, de haren straf naar links op het voorhoofd geplakt. Dit was zijn dag. Ik moest dus wel op tijd aanwezig zijn. Bij aankomst was de Parochiezaal al goed gevuld. Veel echtgenotes, moeders, kinderen en kleinkinderen van de muzikanten. En natuurlijk mijnheer pastoor.De middag werd even na tweeën muzikaal geopend door de Grensbewoners; een trots filmmuziekspelend gezelschap geleid door een dirigent, volgens de vrouw naast me een gepensioneerde betonvlechter, die elk deuntje dirigeerde alsof het de Grande Finale van Wagner's Walküre betrof. Het erbarmelijk niveau waarop de deuntjes die middag ten gehore werden gebracht stond het trotse gevoel van de dames en heren musici vreemd genoeg niet of nauwelijks in de weg. Het optreden van de Blauwen ging helaas niet door. De dirigent bleek afgelopen nacht van zijn fiets te zijn gevallen (drank?) en kon onmogelijk naar de Parochiezaal komen. Ter vervanging werd allerijl de plaatselijke vrouwenaccordeonvereniging 'de Dansende Vingers'aan het programma toegevoegd. Twintig maagdelijk witte kanten bloesjes, strak turend op de voorspelbare bladmuziek van Viva Argentina, konden het fanfarepubliek maar moeilijk boeien. Al kregen ze aan het slot van hun concert een overweldigend applaus, naar later bleek vooral als oprotgebaar bedoeld. Tijdens het optreden van de Vingers zag ik de Sjéle tot driemaal toe met een groot dienblad vol Belgische biertjes voor het podium langslopen. "Awèl, ge moet toch inspelen, niewaar?", had hij me eerder die week knipogend toevertrouwd. Hij dronk het gerstenat naar eigen zeggen alleen 'voor d'n concentrasie'.De Króf, dit soort middagen solidair met zijn broer en bereid een pintje mee te pakken, riep na elk nummer van zijn collega-korpsen "Pauze!!!" de zaal in, tot groot ongenoegen van het publiek. De lachers kwamen vooral uit zijn eigen gelederen. Rond 17.00 uur was het de beurt aan Maaslandia. De Króf had ik voor die tijd al zeker vier keer naar buiten zien lopen. Richting kerk. Misschien om te bidden. Waarschijnlijk om te plassen."Jezuske zal toch ook wel uns dorst hebbe, nie?" riep de Króf nogal eens graag als hij zijn opvallend lange straal op het Jezusbeeld naast de sacristiedeur richtte. De Sjéle kende een slechte concertstart. Halverwege het eerste werk bleek hij zijn stoel niet stabiel genoeg op het podium te hebben gezet. Zonder nog maar één slag op zijn dikke trom te hebben geslagen was zijn stoel wat ongelukkig achterover geklapt en samen met de aangeschoten slagwerker achter het podium gevallen. De hilarische duik, waarbij het linkerglas van de Sjéle's bril een barst had opgelopen, werd vooral door fanfare de Pumpèlere met een staande ovatie ontvangen. Het fanatieke Maaslandia, wellicht gewend aan onverwachtse interrupties, speelde onverstoord verder. Maaslandia kreeg aan het eind van de middag een daverend applaus. Van alle aanwezigen, al bleken dat nog louter dorpsgenoten te zijn. De overige korpsen hadden de parochiezaal, na het opmaken van de consumptiebonnen, al geruime tijd verlaten. Richting maandagmorgen. Rond 19.00 uur liep ik die avond met een voldaan gevoel naar huis. Ik had de hele middag met niemand gesproken. Ik was stil geweest. Ik had eigenlijk alleen zitten kijken. Naar prachtige, unieke beelden. Urenlang. Naar Dansende Vingers. Naar rode en blauwe uniformen. Naar nerveuze en aangeschoten musici. Naar volle en vooral lege bierglazen. Naar de vochtige plek op de broek van de Króf. Naar de gehavende bril van de Sjéle. En realiseerde me op weg naar huis dat muziek soms meer bedoeld lijkt om naar te kijken dan om naar te luisteren. Dat muziekbeelden muziekklanken kleuren. Dat muziek en beeld elkaar onlosmakelijk kunnen aanvullen. Dat foute beelden foute muziek briljant kunnen maken. Die zondag vond ik de fanfare briljant. Dankzij de beelden. Beelden die passen en thuishoren in de amateur-muziekwereld. Muziek in beeld, de achterkant van het professioneel gelijk. Die nacht hoorde ik het wereldberoemde Olé olé-olé-olé quasi-tweestemmig door mijn straat galmen. 02.30 uur, gaf de wekker aan. Vanachter mijn slaapkamerraam zag ik twee rode uniformen richting mijn huis zwalken. Het linker uniform had een tuba vast, het rechter een bril. De zwalkers leken tevreden. Zwalkten tevreden. Op weg naar hun maandagmorgen.

Uitstraling

Ik vond die maandagnamiddag nog net een zitplaats in de Intercity van Utrecht naar Maastricht. Na een dag vergaderen in het kader van SPHCompetent ben je blij dat je twee uurtjes onderuit kunt zakken en, wie weet, zelfs de ogen even kunt sluiten. De vrije zitplaats was naast het raam, naast een oudere heer met labtop en tegenover twee jonge meiden, ik schat een jaar of zestien. De trein kwam in opdracht van de conducteurfluit in beweging en reed in constant, slaapverwekkend ritme richting Zuiden. Ik hing al snel onderuit met mijn hoofd tegen het lichttrillende raam en staarde met zware oogleden naar het Utrechtse landschap, tot het moment dat de blikken van de jonge meisjes tegenover me begonnen op te vallen. Beide dames waren me al een tijdje nogal opzichtig aan 't bekijken. Naarmate de blikken langer aanhielden ging ik me steeds ongemakkelijker voelen: waarom kijken zestienjarige meisjes nou zo opvallend en indringend naar mij? Af en toe fluisterden ze ook nog eens korte zinnen in elkaars oor, waarna ze hun blik weer op mij richtten. Gaven de blikken aanvankelijk een ongemakkelijk gevoel, op zeker moment ging ik twijfelen: had ik soms sjans? Verdomd, ja, ik had natuurlijk sjans. Sjans van twee zestienjarige meisjes, wat moest ik daar nou mee? Ik ging wat meer rechtop zitten en probeerde zo naturel mogelijk te blijven kijken. Net op het moment dat ik een strategie aan 't bedenken was hoe ik de blikken kon gaan kanaliseren sprak een van de meisjes me aan. "Meneer, mogen wij U wat vragen?". Mijn adem stokte gelijktijdig met het ineenstorten van mijn strategieoverweging: de Sjanstheorie spatte per direct als een ballon uiteen. Het meisje had zojuist op een iets te beleefde manier "U" tegen me gezegd, dus hier was geen sprake van sjans; nee, deze veertiger had de blikken en het gesmoezel van de jonge meisjes ongetwijfeld iets te vroeg iets te verkeerd geïnterpreteerd. "Eh, ja hoor, stel gerust een vraag", zei ik met hese stem. Het meisje dat de beleefde vraag had gesteld ging rechtop zitten en vroeg: "Meneer, welk vak geeft U?" Ik keek het meisje met grote ogen aan, terwijl ik een toenemende hoeveelheid bloed richting mijn hoofd voelde stijgen. Waar haalde deze tiener het lef vandaan om zo'n vraag aan iemand in een trein te stellen? Ik werd boos en wankel tegelijk. Hoezo, 'welk vak geeft U'? Hoe weet dat kind dat ik in het onderwijs zit? Moet ze niet eerst eens vragen óf ik überhaupt in het onderwijs zit? Kennelijk gingen deze godvergeten pubers er al van uit dát ik in het onderwijs zit, en hoefden ze nog alleen te weten welk vak ik geef. "Kennen jullie mij soms?", vroeg ik, terwijl ik ongemakkelijk van zithouding veranderde. "Nee hoor", antwoordde het andere meisje, "we vroegen ons gewoon af welk vak U geeft. Ik denk Geschiedenis en zij denkt Maatschappijleer". De meisjes keken me verwachtingsvol aan; wellicht hadden ze zojuist fluisterend een weddenschap afgesloten en nu waren ze natuurlijk reuzenbenieuwd wie de weddenschap had gewonnen. "Sorry dames", loog ik, "ik ben geen leraar, ik ben Pastoraal Medewerker vanuit de Lutherse Kerk, afdeling Thaisé." De meisjes vielen even stil. "Goh", corrigeerde het linkermeisje, "zou je niet zeggen, ik zou zweren dat U Geschiedenisleraar bent". Ik raakte geïrriteerd: wat een zelfingenomenheid bij die twee pubers! "En waarom denk je dat?", vroeg ik met een iets te pinnige toon. "Gewoon", antwoordde ze laconiek. "Uitstraling", schampte Lucienne 's avonds thuis met zichtbaar plezier, nadat ik haar het voorval in de trein had verteld. "Jij hebt gewoon een enorme uitstraling, jongen, en wel dat van een échte leraar. Fijn toch?" Mijn God, de uitstraling van een leraar, wat een compliment. Ik dacht terug aan mijn middelbare schooltijd, waarin wij pubers de draak staken met de Echte Leraren. Veertigers met grijzende baardjes, houtje-touwtjesjassen en zweetvlekken onder hun oksels, donkerbruine sandalen met geitenwollen sokken en bruinleren boekentassen. Dát waren Echte Leraren en die verdienden het om in de zeik gezet te worden, omdat ze zo enorm Echt Leraar waren en ongetwijfeld ook wilden zijn. En zeg nou eerlijk: niets zo erg als de uitstraling van een Echte Leraar. Maar ik? Ben ook ik dan inmiddels geruisloos vergroeid tot een Echte Leraar, zonder dat ik het vergroeiproces zelf in de gaten heb gehad? Ben ik, die vroeger Echte Leraren en public belachelijk maakte, nu zelf verworden tot Echte Leraar, maar dan in de ogen van de nieuwe lichting pubers? "Ja", antwoordde Lucienne berustend. Beroepsuitstraling. Ja, het fenomeen ken ik wel. Echte Profvoetballers bijvoorbeeld, die hebben een overduidelijke beroepsuitstraling, die herken je uit duizenden: jonge mannen met gelgestileerde kapsels die tijdens een interview zo arrogant mogelijk naar de interviewer kijken en daarbij zo weinig mogelijk woorden gebruiken: dat is de Echte Profvoetballer. Kijk maar naar Patrick Kluivert, Edgar Davids, ja zelfs naar beginnende tienervoetballertjes als Rafael van der Vaart en Wesley Sneijder, die hebben die blik en houding ook al en hebben dus een enorme Voetballersuitstraling. En ze varen er allemaal wel bij, want de fanclubs rond deze Godenzonen groeien gelijk op met de toenemende verarrogantisering van de Helden zelf. Zelfs patershoofd Edwin van der Sar heeft arrogant leren kijken, dus zelfs hij heeft de juiste beroepsuitstraling. En wat te denken van de beroepsuitstraling van Echte Schaatsers? Ook die herken je uit duizenden door hun stotterende spraakwaterval, hun eeuwige smile en hun veel te grote gebit in een veel te grote mond. En advocaten. Die hebben hun uitstraling allemaal afgekeken van pa Moszkowicz, zodat je ook de Echte Advocaat uit duizenden herkent; kijk alleen al maar eens naar het hoofd van Bram Moszkowicz. Maar ja, dat zijn toch allemaal wel voorbeelden van 'coole' beroepsuitstralingen. De Echte Lerarenuitstraling valt toch meer in de categorie 'Sjakie-uit-de-film-Flodder', die zowel in de films als in de serie Flodder toch wel erg schriel en rolbevestigend als Maatschappelijk werker wordt neergezet. Kennelijk behoor ik als Echte Leraar dus niet tot de categorie 'coole beroepsuitstralers' als Patrick Kluivert, Rintje Ritsma en Bram Moszkowicz, maar behoor ik tot de categorie Sjakie uit Flodder. En die categorie uitstralers levert toch niet echt veel fanclubleden op. "Tja, dan moet je aan je imago gaan werken, leraar", ondersteunde Lucienne me die avond ongetwijfeld met de beste bedoelingen."Of beter gezegd: tegen je imago gaan vechten". Tegen mijn gevestigde imago gaan vechten. Tja, waar heb je het dan over. Dan heb je het uiteindelijk toch over een (licht)geforceerde zwaarbevochten metamorfose die, hoe dan ook, op haar beurt onvermijdelijk weer zal opvallen. Dan heb je het toch over VVD'er Frank de Grave die na jaren stijf ministerschap ineens geforceerd de trendy politicus gaat uithangen. En dan heb je het toch over manwijven en sportbeesten als Leontien van Moorsel en Inge de Bruijn die in de herfst van hun carrière ineens geforceerd de Babediva gaan uithangen. Frank de Grave als trendy politicus: is stijve, zure André Rouvoet dan eigenlijk niet eerlijker en stabieler in zijn oerimago? En Leontien van Moorsel als Babediva: is gewoon gebleven tafeltennisster Bettine Vriesekoop dan eigenlijk niet eerlijker en stabieler in haar oerimago? Moet je je oerimago na jaren wel verloochenen door het plotselinge schrikbeeld van de weerspiegeling ervan? En kan je dat oerimago überhaupt wel veranderen? Sjakie uit Flodder is en blijft een zachte goedaardige Maatschappelijk werker, wordt daar in (h)erkend en zal nooit een Bram Moszkowicz worden. Leontien van Moorsel is en blijft een fietsbeest, wordt daar in (h)erkend en zal nooit een Katja Schuurman worden. Ed Klein Goldewijk is en blijft een onderwijsman, wordt daar in herkend en zal nooit een Jan Vayne worden. Had ie maar beroepspianist moeten worden. Dus de volgende keer zegt ie gewoon tegen zestienjarige meisjes in de trein dat ie les geeft. Desnoods Geschiedenis of Maatschappijleer. En ach, wie weet levert het ooit een bescheiden fanclub op.