'Allah bestaat niet, God wel'. De kop boven het Nieuwe Revue-interview met André Rouvoet loog er vorige week niet om. Voor wie hem niet kent: André Rouvoet is politiek leider van de ChristenUnie. Daarnaast is André ideale schoonzoon. Althans, in de ogen van mijn moeder en andere geloofsactieve senioren. André heeft een net hoofd, gaat zes keer per week naar de kerk, zal nooit vloeken en zeker niet knipogen naar jonge meisjes. Nee, André is op en top Christen, hetgeen bevestigd wordt door het interviewcitaat waarin André gevraagd wordt naar zijn kennis over de inhoud van de film 'Turks Fruit' (en ik citeer de gelovige man nu letterlijk): "Het zal me een zorg zijn. Ik heb daar genoeg smerigs over gehoord, ik hoef die film niet te zien". Mannen met een dergelijk antwoord hebben zo'n film meestal op video in huis, veilig opgeborgen in de onderste la van het bureau, maar André Rouvoet niet: André is immers Politiek Leider, en politieke leiders liegen niet. En al zeker de politiek leider van de ChristenUnie niet. Zo zal André zeker ook niet liegen wanneer hem in het betreffende Revue-interview wordt gevraagd welke mensen nou wel in de Hemel komen en welke mensen niet. André is daar heel duidelijk over, zoals blijkt uit onderstaand interviewfragment: Er zijn niet-godsdienstige mensen die hun leven lang armen en zieken in de derde Wereld bijstaan. U zegt: hoe goed een mens ook leeft, die komt niet in de Hemel?André: "Door goede dingen te doen kun je niet eeuwig leven verdienen. Daar is geloof in Jezus voor nodig". Die mensen komen dus in de hel? André: "Je zou zeggen dat die conclusie onontkoombaar is". Maar moordenaars, verkrachters. Stel dat zulke mensen vlak voor hun dood zeggen: ik bekeer mij alsnog tot de Heer, ik vraag vergiffenis voor mijn daden. Die komen dan wel in de Hemel?André: Ook voor hen is er inderdaad een mogelijkheid om bij God te zijn. Volgens deze logica kunnen de 'goeden' in de Hel komen en de 'slechten' in de Hemel. Menigeen zal hier van schrikken.André: "Kan ik me voorstellen. Absoluut." Toen ik dit interviewfragment las moest ik terugdenken aan pastoor Keulen. Pastoor Keulen, bijnaam 'de Borrel', was Onze Pastoor. En ik Zijn Misdienaar. Elke zondagmorgen diende ik, samen met drie andere brave burgerjongetjes, de Hoogmis. We droegen zo'n jurk met zo'n koord en we zwaaiden met een wierookvat. Maar bovenal volgden we de instructies van de Borrel op. Niet omdat we die instructies nou zo waardevol vonden, maar omdat het niet opvolgen van zijn instructies twee narigheden tot gevolg hadden: een kneep in je oor én een enkele reis naar de hel. Althans, met dat laatste dreigde hij voortdurend, waarbij de frequentie van die heldreigementen opliep naarmate de Borrel meer alcohol had genuttigd (de Borrel hield graag huisbezoeken in zijn parochie, zo'n vijf per dag, en elk bezoekje was goed voor minstens drie borrels). Als hij ons dan, zwalkend in zijn zwart gewaad, op straat tegenkwam, dan riep hij altijd met opgeheven vinger en dubbele tong: "En zondag op tijd in de sacristie, anders wacht jullie de hel!!" Als achtjarige misdienaar vond ik dit een duidelijke, heldere boodschap, maar als 15-jarige (jawel, ik heb een lange misdienaarcarrière achter de rug) kreeg ik toch wat bedenkingen. "Meneer Pastoor?", vroeg ik de Borrel op een zondagochtend na de Hoogmis, "bestaat de hemel echt?" "Maar zeker, mijn zoon, dat weet je toch wel", antwoordde de Borrel laconiek, terwijl hij de hostiekelk droogde met een maagdelijk wit doekje. "En de hel?", vroeg ik door. "Ook de hel bestaat, ja", grijnsde de Borrel met een sadistisch gezicht. "Kom ík later in de hemel?". Mijn nieuwsgierigheid nam toe. "Zeker, mijn zoon, je bent toch misdienaar, dus lid van de kerk. En als je lid van de kerk bent, nou, dan ga je naar de hemel". Enerzijds was dit een geruststellend antwoord, anderzijds schrok ik van deze priesterlogica: kennelijk was het verbond met de Kerk, in welke schijnheilige vorm dan ook, een gegarandeerd ticket naar de Hemel. Tja, de kerk gaf zekerheid, dat wel, maar ik vroeg mij toen al oprecht af of ik die enkele reis naar Boven wel ambieerde, laat staan verdiende. Vanaf die bewuste zondagochtend keek ik in elk geval anders naar dat intrigerende, vrome Instituut dat kennelijk gratis Hemeltickets verstrekt. Ik werd achterdochtig en nieuwsgierig tegelijk. Vanaf mijn misdienaarstoel begluurde ik tijdens de Hoogmis de clientèle, de zgn. Kerkgangers. Vrome, strakke, stoïcijnse hoofden die me vanaf dat moment pas echt begonnen te intrigeren, ja zelfs te fascineren. Iedereen daar in die banken, jong of oud, dik of dun, oprecht of hypocriet, trouw of ontrouw, iedereen kreeg kennelijk dat felbegeerde ticket. En daar hoefden ze verdomd weinig voor te doen: alleen daar zitten en te luisteren naar het georakel van de Borrel. Pas later, na mijn misdienaarcarrière ("pa, ik schaam me dood in die Sinterklaasjurk, ik ga nu écht dat podium niet meer op!"), realiseerde ik me dat mijn fascinatie niet zozeer gericht was op de Kerkganger in het algemeen, maar meer op de zgn. 'Modelkerkgangers': Kerkgangers die gaan voor het Ereticket en op zondagmorgen dus meer doen dan 'alleen daar zitten'. De Modelkerkganger heeft oog voor detail, bereid zich voor, concurreert en concentreert zich scherp op zijn rol in de Kerk, teneinde een Ereplaats-in-Heaven te kunnen veroveren. En juist die Modelkerkganger, bang voor zijn zelfgecreëerde Hel, fascineert mij mateloos: zijn alledaagse, lege blik die hij tijdens de Hoogmis spontaan kan omzetten in een vrome, deftige blik die hulp aan duizend-en-één-Somaliërs suggereert; de nonchalance waarmee hij zijn ingeslapen, van leugens doordrenkte huwelijk weet te camoufleren door de hand van zijn vrouw bij het verlaten van de kerk wél vast te pakken; de gulle gift die alleen gul gegeven wordt als de buren twee rijen verder het prachtige gebaar opmerken; de extra bevestiging van zijn Kerkelijk Lidmaatschap door religiemodieuze zondagskleding die hij zelfs zijn kinderen laat dragen; het opdreunen van het Onzevaderdieindehemelzijt zonder ook maar één woord van het verhaaltje te snappen maar erbij te kijken alsof het een eigen compositie betreft; het deftig knikje naar zoveel mogelijk medeparochianen tijdens de wandeling van de bank naar de hostie, teneinde een breed, sociaal spectrum uit te stralen. Dat is de Modelkerkganger in actie, op weg naar een Ereplaats-in-Heaven. André Rouvoet is onze ultieme, Nationale Modelkerkganger. André krijgt wel tien Eretickets, dat staat buiten kijf. André bezit namelijk alle competenties die een goede Modelkerkganger moet bezitten. En mag André dus uit volle borst roepen dat niet-Kerkgangers op moeten rotten richting Hel, of ze nou medemensen helpen, liefdadigheidsgiften per giro overmaken, vrijwilligerswerk doen of hun huwelijkscrisis wél bespreekbaar maken. En waarom mag onze aanstaande Hemelbewoner André Rouvoet dat roepen? Omdat ik als ex-Kerkganger hoogstwaarschijnlijk gedoemd ben tot de Hel, dat onze wegen daarmee (Godzijdank) ooit zullen scheiden en dat ik dus nóóit meer naar het Hemel & Hel-gebazel van ideale schoonzoon Rouvoet hoef te luisteren!